
Let
op! We kennen 2 soorten genetische symbolen : Duitse ( voor
de Duitstalige landen) en Engelse( voor de Engstalige landen)
.De Internationale
Symboliek= de Engelstalige! Zie:
Konijnen en erfelijkheid
ISBN
90 6227 5516
INLEIDING
De
grondbeginselen van de
vererving van eigenschappen
bij het konijn .De proeven die
Gregor Mendel (lid van de orde der Augustijnen, levend van 1822
tot 1884) met de
bestuiving en vermeerdering van
verschillende soorten erwten in de tuin van het klooster te
Brünn heeft genomen, hebben meer licht gebracht in de wijze
waarop de aanleg voor eigenschappen vererft. De resultaten van
zijn onderzoekingen geraakten lange tijd vrijwel in het
vergeetboek tot omstreeks 1900 door latere onderzoekers, o.a.
door de Nederlander prof. dr. Hugo de Vries de aandacht opnieuw
op de Mendelse Wetten werd gevestigd. Toen bovendien de
mutatie-theorie van prof. De Vries verhelderend ging werken werd
een beter inzicht verkregen in de wegen waarlangs de
erfelijkheid zich voltrekt. Met behulp van deze wetten wordt in
de volgende hoofdstukken de erfelijkheidsleer of genetica van
het konijn op een eenvoudige wijze behandeld
PHAENOTYPE, GENOTYPE EN MODIFICATIE
Het phaenotype van een konijn is zoals
we het zien en zoals het zich gedraagt. Dit phaenotype komt tot
stand door twee verschillende invloeden.
a. De omstandigheden waarin het
leeft, dus invloeden die van buitenaf inwerken. Bijvoorbeeld de
verzorging, het voedsel, de weersgesteldheid, het klimaat,
ziekte e.a. Hierdoor kunnen veranderingen bij het
konijn ontstaan. Dergelijke veranderingen noemt men
modificaties. Modificaties vererven niet.Toch lijkt het soms alsof ze wel
erfelijk zijn. Dat is het geval wanneer konijnen naar andere
streken worden overgebracht, daar moeten leven in voor hen zeer
ongewone omstandigheden (ander klimaat, ander voedsel enz.) en
zich voortplanten. Na een aantal jaren hebben de konijnen zich
aan de nieuwe omgeving aangepast en is hun uiterlijk en gedrag
veranderd. Men heeft dan de indruk dat deze veranderingen
vererven. Dat is echter slechts schijn. Wanneer de konijnen weer
in hun oude omgeving worden teruggebracht en zich hier weer
vermeerderen, dan verdwijnen de veranderingen op den duur en
keert het oorspronkelijke uiterlijk en het oorspronkelijke
gedrag terug.
b. de erfelijke aanleg tot allerlei
eigenschappen.
Een erfelijke aanleg wordt ook wel een
gen of een erffactor genoemd. Samen vormen de genen het genotype
of de erfmassa van het konijn. Het phaenotype van een konijn ontstaat
onder invloed van het genotype en van de van buiten af
inwerkende omstandigheden. Een duidelijk voorbeeld hiervan
vormen de oren, het "behang" van de Engelse Hangoor. De aanleg tot lange en brede oren is
een erfelijke zaak. Om deze aanleg echter tot volle ontplooiing
te brengen is het nodig dat de Engelse
Hangoor in zijn jeugd in een warme omgeving verblijft. Men kan
het ook zo zeggen: warmte geeft langere oren, maar niet
langer
dan de aanleg daartoe mogelijk
maakt. Een ander voorbeeld zijn de oortjes van de dwergrassen.
Hun kortheid is erfelijk bepaald, maar komt het beste tot uiting
wanneer de dieren in een koudere omgeving opgroeien. Op de
veranderingen die een konijn ondergaat tengevolge van
uitwendige invloeden (modificaties) gaan we hier niet verder
in. We bepalen ons tot verschillende eigenschappen waarvan de
aanleg erfelijk is.
CHROMOSOMEN EN HUN DELING
Het lichaam bestaat uit cellen. De
vorm daarvan verschilt. Een spiercel bijvoorbeeld is langgerekt.
Ook de taak van de
cellen is verschillend. Zenuwcellen
hebben een andere functie dan cellen uit de huid. Een cel bestaat uit een kern met
daar omheen protoplasma. Voor de erfelijkheid is de kern
van
betekenis, want hierin bevinden zich
de chromosomen. Deze
zijn te beschouwen als de
stoffelijke dragers van
de erfelijke
aanleg
tot het
enorm aantal
eigenschappen van het konijn.
Chromosomen hebben de vorm van een staafje en liggen in paren
naast elkaar. Hun aantal is dus steeds een even getal. Een
konijn heeft 44 chromosomen .Tijdens de opbouw van het konijn en
zijn verdere leven delen de cellen zich in tweeën en
vermeerderen zich op deze wijze. De elkaar opvolgende delingen
betekenen de groei van het nog onvolwassen konijn en de
instandhouding van het volwassen dier. De celdeling gaat als
volgt in zijn werk. De kern deelt zich en ook de
chromosomen
en
daarna gebeurt dit met de
cel. De
deling
van de chromosomen
is
een ingewikkelde zaak, maar
eenvoudig
voorgesteld
komt het erop neer dat elk chromosoom
zich overlangs in twee gelijke helften verdeelt. Elk van deze
helften gaat naar een vande gesplitste kernen. Het resultaat is
dan dat de nieuw gevormde kern in de nieuw gevormde cel
hetzelfde aantal chromosomen bezit als de cel waaruit ze zijn
ontstaan.Een eenvoudige tekening kan deze gang
van zaken duidelijk maken.

A. is een kern met
enkele chromosomenparen.
B. de chromosomen
hebben zich overlangs in twee gelijke delen gesplitst.
C. twee nieuwe
kernen zijn ontstaan met ieder hetzelfde aantal chromosomen als
de oorspronkelijke kern.
HOE
GEDRAGEN DE CHROMOSOMEN ZICH
BIJ DE PARING VAN
RAM EN
VOEDSTER
De ram dekt de
voedster.
Door
de
prikkel van deze dekking laten
de eierstokken
of ovaria eicellen
los.
Slechts door de prikkel van deze
dekking kan dit gebeuren. Bij
andere diersoorten is dit vaak
anders
en gebeurt het afstoten van eicellen
in bepaalde perioden, bijvoorbeeld bij de koe tijdens de
tochtigheid zonder de prikkel
van de
sprong door de stier.
De
ram loost zijn zaad of sperma
in
de schede van de voedster.
Ook hier is weer een bijzonderheid. De ram is een zogenaamde
schedebevruchter, in tegenstelling tot vele andere diersoorten,
waar het mannelijk dier het sperma dieper in het vrouwelijk
geslachtsorgaan deponeert.
De zaadcellen zoeken de eicellen.
Regel is dat een van de zaadcellen uit het sperma een eicel
binnendringt en daarmede samensmelt. De bevruchting is tot stand
gekomen. Het konijn is op stapel gezet en ontwikkelt zich verder
in de baarmoeder van de voedster door deling van de cellen en
differentiatie van de cellen. Meestal bepaalt dit samensmelten
zich niet tot 1 zaadcel + 1 eicel, maar vindt dit meerdere malen
plaats tussen zaadcel en eicel. Er ontwikkelen zich dus in de
regel meerdere vruchten in de baarmoeder.
Het is van belang te weten hoe het
staat met de chromosomen van de zaadcellen, die in de
teeltballen of testikels van de ram worden gevormd, en de
chromosomen in de eicel, die in de eierstokken of ovaria van de
voedster worden gevormd.
Ook zaadcellen en
eicellen ontstaan door deling van cellen, maar het gedrag van de
chromosomen is daarbij anders dan bij de deling van gewone
cellen. Deze deling is zeer ingewikkeld. Het resultaat is dat
bij vorming van een zaadcel en ook van een eicel één van een
paar chromosomen in de nieuwe kern en dus in de nieuwe cel
terecht komt.

" Wanneer bij
samensmelting van een
zaadcel met een eicel
de bevruchting
is tot stand
gekomen, dan
heeft deze samengesmolten cel
weer het
oorspronkelijke aantal
chromosomen.
Deze
samengesmolten
cel noemt
men zygote. Hierin komen
dus
de helft van de
chromosomen
van de zijde van de ram
en
de
helft van
de zijde van
de voedster voor.
Op deze wijze
worden de
erffactoren steeds doorgegeven aan het
nageslacht. De
zygote groeit
en gaat meer en meer op een konijntje
gelijken.
Aan deze nog
ongeboren vrucht geeft men de naam embryo
of foetus.
ALGEMENE REGELS BIJ DE KLEURVERERVING
Een aanleg tot
een eigenschap, die men dus ook aanduidt met het woord gen
of met erffactor, wordt aangegeven door een letter. Zo
gebruikt men A om aan te geven dat de mogelijkheid tot
vorming van kleurstof aanwezig is. In plaats van kleurstof
spreekt men ook wel van pigment. We schrijven A, als de
aanleg dubbel aanwezig is. Het konijn heeft dan van de vader
(de ram) een A gekregen en van de moeder (de voedster)
eveneens een A omvangen. Het konijn is gekleurd.
Het kan echter
gebeuren dat er in deze aanleg een verandering optreedt door
het wegvallen van een van de beide A's. Dit wegvallen of
onwerkzaam worden beperkt zich meestal tot één A en zeer
zelden vallen de wee A's tegelijk weg. De toestand die
ontstaat als een A onwerkzaam wordt, geven we aan door de
letter a. Het betreffende konijn heeft dan Aa.
Mn het
uiterlijk van het konijn is dan echter nog niets afwijkends
te zien* het dier is evenzeer gekleurd als een AA dier. Dat
komt omdat de A de a overheerst. Wc zeggen dat A dominant is
over a. en dat a recessief is ten opzichte van A. Een
dominante factor schrijven we met een hoofdletter, cen
recessieve factor met een kleine letter.
Het wegvallen
van een factor, het onwerkzaam worden ervan, noemt men een
mutatie. De grondlegger voor deze mutatie-theorie is
onze landgenoot
professor Hugo de Vries, die in zijn
wereldberoemd geworden werk "Die Mutationtheorie"
heeft verklaard en aangetoond, dat nieuwe soorten niet
ontstaan door geleidelijke aanpassing aan de
omstandigheden, maar door spontane veranderingen in de erfvorm.
Waardoor een
mutatie in de natuur ontstaat is niet bekend. In de regel
hebben deze mutaties slechts betrekking op kleine
veranderingen, mutaties die grote wijzigingen veroorzaken
zijn zeldzaam. Mutaties zijn meestal verlies mutaties» dat
wil zeggen het konijn
verliest de aanleg
tot een of andere eigenschap. Verder gedragen mutaties zich
dikwijls recessief ten opzichte van de oorspronkelijke
factor.
Voorlopig is van
het wegvallen van een factor, dus van de mutatie,aan het konijn
nog niets te zien. Uiterlijk is een Aa konijn gelijk
aan een AA konijn.
Maar als mee deze
Aa dieren onderling wordt verder gefokt, dan
wordt het anders en
dan kan het gebeuren dat de mutatie wel
zichtbaar wordt. De
gang van zaken is dan aldus.
Ram Aa x voedster
Aa.
De ram levert
zaadcellen met de factor A en zaadcellen met de factor a.
De voedster levert
eicellen met de factor A en eicellen met de factor a.
Wat gebeurt er nu
als zaadcel en eicel samensmelten tot een zygote?
Er zijn 4
mogelijkheden. A en A
treffen samen en dan ontstaat AA A en a treffen samen en
d^n ontstaat Aa a en A treffen samen en dan ontstaat Aa a en a
treffen samen en dan ontstaat aa
AA geeft een gekleurd konijn.
Aa geeft ook een
gekleurd konijn.
Aa
geeft ook een gekleurd konijn.
aa geeft een konijn
zonder kleur, dus een albino, een wit konijn met rode ogen.
Dus 3 gekleurde
konijnen en 1 kleurloos.
AA geeft in de
nakomelingen altijd weer AA dieren, dus gekleurde konijnen en is
dus fokzuiver voor kleur. We noemen dit ook wel homozygoot.
Aa en Aa zijn zelf
weliswaar gekleurd, maar geven in hun nakomelingen gekleurde en
kleurloze konijnen. Ze zijn dus fokonzuiver voor kleur of
heterozygoot.
aa kan
bij onderlinge paring nooit kleur
geven, maar steeds kleurloosheid, en dus zijn zulke konijnen
fokzuiver of homozygoot voor kleurloosheid.
De
mutatie die heeft plaatsgevonden wordt derhalve pas zichtbaar
als de
veranderde factor dubbel aanwezig is.
Een konijn waarbij een
mutatie zichtbaar is geworden heet een
mutant. Tussen het plaatsvinden van een mutatie en het
waarneembaar zijn daarvan (de mutant) kunnen vele fokjaren
liggen, omdat in de normale fokkerij het meestal een toeval is
dat twee konijnen met dezelfde mutatie aan elkaar worden
gepaard.
Mutaties zijn vroeger bij het wilde
konijn reeds voorgekomen,
maar de mutanten verdwenen
weer. Hun veranderde uiterlijk en
het
verlies van andere eigenschappen waren
oorzaak dat zij een gemakkelijke prooi van hun natuurlijke
vijanden werden. Wanneer bijvoorbeeld een mutatie aanleiding was
tot een afwijkende pels-kleur,
dan miste een dergelijk konijn
zijn beschuttende kleur en
kon de strijd om het bestaan
niet volhouden. Dat werd anders
toen de
mens konijnen ging houden in een
beschermende omgeving. Mutanten waren dan gevrijwaard tegen
aanvallen van hun vijanden en
konden dus in leven blijven en
zich voortplanten.
Bij
de beschrijving
van
de kleurveranderingen moet eerst
worden
aangegeven hoe het genotype van het
wilde konijn is, de wildkleur
of de konijngrijze kleur.
Deze
bestaat uit 5 verschillende
factoren.
Zijn deze van de zijde van de ram en
van de zijde van de voedster
meegekregen, komen ze dus
dubbel voor en is de kleur
dus fokzuiver of homozygoot,
dan is de formule AA BB CC DD GG. Hierin
is
A verantwoordelijk voor kleur, welke deze kleur ook mag zijn. De
verandering die deze A kan ondergaan, het worden tot a, is reeds
behandeld.
B, C en D beheersen de vorming van
kleurstof en elk ervan heeft betrekking op een bepaalde
kleurstof. G regelt de plaats van de kleurstof op de
verschillende delen vanhet lichaam en ook in het haar. Men noemt
G de wildkleur factor.
Valt een G weg, dan schrijft men g.
Pas bij gg wordt dit
zichtbaar. Er onstaat dan een
afwijkend uiterlijk. Dit konijn is zwart. Ontbreekt D en is door
een mutatie d ontstaan, dan wordt
minder
zwarte kleurstof gevormd. Men kan ook
zeggen dat het zwart tot
blauw wordt verdund. Vandaar
dat ook gesproken wordt van
de verdunningsfactor. Het blauw
wordt pas zichtbaar als dd
ontstaat, maar omdat de
wildkleurfactor ook nog aanwezig is, is dit konijn
blauwgrijs. De formule is dan AA BB
CC
dd GG. Valt C weg
en komt daarvoor in de
plaats c, dan wordt het konijn
bruingrijs wanneer de c dubbel
voorkomt. AA BB
cc
DD GG. Verdwijnt B en ontstaat bij verder fokken bb, dan is het
konijn geelwildkleurig. AA bb CC DD GG.
Op deze wijze en in stand gehouden
door de bescherming van de mens, zijn verschillende rassen door
een mutatie ontstaan. Later heeft men met deze mutanten
onderling of met de wildkleur gekruist en op deze wijze weer
nieuwe kleurslagen gefokt. Dit noemt men combinatieteelt. Hier
volgt daarvan een voorbeeld.
Een fokzuivere zwarte ram laat men
een fokzuivere bruingrijze voedster dekken. Het genotype van de
Ram is wat zijn kleur
aangaat AA BB CC DD gg. Van de
voedster is dat AA BB cc DD GG. Er gebeurt dus:
[P] AA BB CC DD gg x AA BB cc DD GG.
De letter P geeft aan dat dit het
ouderpaar is. (P is
de letter van Parentes.)
De jongen die geboren worden krijgen
van de ram en van de voedster een A, een B, en een D, en hebben
dus deze letters dubbel. Van de ram krijgen ze een C en van de
voedster een c. Ze bezitten dus
Cc. De ram geeft nog
een
g, de voedster
een
G
en daardoor hebben de
jongen
Gg.
Hun erfformule voor kleur is
dan:[F1]
AA BB Cc
DD
Gg.
Deze f 1
betekent dat het de eerste jongen zijn
uit de paring (f is de eerste letter van Filiaties). De kleur
van deze jongen is wildkleurig,
omdat D dominant is over d en G over g. Ze zijn fokonzuiver voor
de wildkleur. Bij onderlinge paring ontstaan verschillende
kleuren op
de dan geboren jongen.
Voor de erfformule
van deze jongen plaatst men f2. Welke deze
kleuren
zijn wordt duidelijk gemaakt met behulp van het
dambordschema.

Het blijkt dat in de
f2 van de 16 jongen 9 wildkleurig zijn, 3 zijn zwart, 3
bruingrijs en 1 is bruin. Dit konijn is bruin, omdat cc aanwezig
is en de wildkleurfactor is uitgeschakeld door de aanwezigheid
van gg.
Van deze wildkleurige
konijnen is 1 fokzuiver voor deze kleur, de andere 8 zijn
fokonzuiver. Van de zwarte is eveneens 1 homozy-goot, van de
bruingrijze ook 1 fokzuiver. De bruine is fokzuiver. Door
combinatieteelt hebben we dus het bruine konijn gekregen. Op
soortgelijke wijze zijn het blauwe en het gele konijn ontstaan.
Opgemerkt moet hierbij worden dat het gele konijn niet geheel
geel is, maar nog blauw-zwart pigment heeft overgehouden. Dezekleur
noemt men madagascar.
Toen eenmaal deze kleuren waren
ontstaan was de weg geëffend voor meerdere combinaties. Daarvan
is dankbaar gebruik gemaakt. Vooral na 1900 zijn meerdere
kleuren en rassen ontstaan.
Mutatie en
combinatieteelt hebben in eerste aanleg de rassen gebracht.
De omschrijving van een ras luidt: een
ras omvat een groep dieren van dezelfde soort die gemakkelijk
van andere dieren van deze soort zijn te onderscheiden, maar
onderling veel eigenschappen gemeen hebben en verder deze
eigenschappen overbrengen op hun nakomelingen op voorwaarde
echter dat de levensomstandigheden gelijk blijven.
De rassen die bij konijnen ontstonden
voldeden niet onmiddellijk aan de eisen die de mens stelt. Voor
de tentoonstelling zijn deze eisen vastgelegd in de standaard
van de in Nederland erkende konijnenrassen.
Door een doelgerichte fokkerij, vaak
met gebruik maken van inteelt (paring van konijnen die
onderling verwant zijn) en met het toepassen van selectie
(schiften van goede en minder goede dieren) zijn de rassen
verbeterd.
In menig geval is men verder gegaan en
zijn de rassen nog weer onderverdeeld in groepen die onderling
gelijke eigenschappen bezitten. Deze noemt men variëteiten.
Zelfs in deze variëteiten, of indien
van een ras geen variëteit bestaat, in
het
ras, bestaan nauw omschreven groepen,
waarin de eigenschappen vast
verankerd
liggen en nog regelmatiger en zekerder
ver erven.
Deze groepen noemt men stammen.
De eigenschappen hebben niet alleen
betrekking op kleur, maar eveneens op andere eigenschappen van
het konijn, zoals forsheid, kleinheid,
model,
haarsoort
e.a.
Inteelt en selectie
hebben de rassen verbeterd.
ALBINOREEKS
Door het wegvallen
van de factor A, hetgeen wordt aangeduid met a, ontstaat een
albino (een wit konijn met rode ogen) wanneer deze a dubbel
aanwezig is.
Het konijn met aa in
zijn genotype is steeds een albino. Welke factoren daarnaast nog
in de formule voorkomen — B C D of
G
— doet er niet toe.
De mogelijkheid tot
pigmentvorming is echter
niet
altijd
volkomen
verdwenen. Het kan ook gedeeltelijk zijn. Is slechts
een klein deel
van deze
mogelijkheid
verdwenen en
is
daardoor een klein gedeelte van de
kleur geel
afgebroken,
dan geven we dit aan met ad. Een dergelijk konijn is
donker chinchillakleurig, te donker voor de tentoonstelling.
Een stap verder
gaande met
de
vermindering van de mogelijkheid tot
kleurstofvorming doet
de groep
ontstaan waarin de tentoonstellingschinchilla
zit. Dit
wordt aangeduid
door achi. Het geel is verdwenen, De
chinchilla
die de
standaard
wenst heeft als erfformule achi
achi BB
cc
Dr3 GG
en
is te beschouwen
als wildkleur
min geel.
Nog meer afbraak
van pigment brengt de factor am. Dubbel aanwezig
ontstaat de donkere marter. Te vermelden is hierbij dat ook de
wildkleurfactor is
verdwenen.
Het genotype is dan am am BB CC DD
gg.
Is bijna alle
pigment verdwenen, dan staat het konijn op de rand van een
albino. Deze factor duidt men aan met an. Kleurstof
wordt alleen nog aangetroffen op de uiteinden van het lichaam en
de ogen zijn reeds kleurloos.
De Rus is het
konijn waar dit voorkomt. De formule is an an
BB CC DD gg, indien het een zwart Rus betreft. De
oorspronkelijke mutant is dit
echter niet,
de
mutatie is
voorgekomen bij het wildkleurig konijn en bracht
an an
BB CC DD GG.
Hieruit zijn later door combinatieteelt de anders gekleurde
Russen ontstaan.
Tenslotte als laatste in de albinoreeks volgt het geheel
kleurlose konijn, de albino (witte Vlaamse Reus, roodoog Pool).
Al het pigment is hier verdwenen. Het genotype is dan aa enz.
Welke letters daarachter komen doet er niet toe.
INTERMEDIAIRE
VERERVING
Een konijn met de
erffactoren HH en een konijn met de erffacto-ren hh geven jongen
die als erfformule Hh hebben. Deze letters zijn willekeurig
gekozen en dienen slechts als voorbeeld. In de fl is dus een
fokonzuivere Hh ontstaan, maar in uiterlijk is deze gelijk aan
het konijn met de erfformule HH. De H is immers dominant over h.
Zo is de gewone gang van zaken.
Er komen echter
gevallen voor waar het fokonzuivere kruisings-produkt in
uiterlijk niet gelijk is aan het ouderdier met de dominante
factoren, maar een eigen uiterlijk of verschijningsbeeld heeft
dat ligt tussen dat van de beide ouders. Deze wijze van
vererving noemt men intermediaire vererving.
De kleur bij de
midden marter is daarvan een voorbeeld, dus ook de midden sepia
marter. Wanneer een donker sepia marter, die dus de factoren amam
bezit, wordt gepaard aan een Rus met an an,
dan ontstaan am a". Deze heeft een eigen kleur en
kleurverdeling: de midden sepia marter. Als inplaats van een Rus
een albino wordt gebruikt, die als factoren dus aa heeft, dan
komt eveneens een midden sepia marter tot stand.
In formule uitgedrukt
geschiedt amamx anan →
aman.
Dit is een midden
sepia marter,
maar ook kan plaats
vinden am am x aa→ am a.
Ook dit is een midden
sepia marter.
Wanneer twee midden
marters aan elkaar worden gepaard dan
krijgt men aman
x aman → amam,
aman, amanen anan.
Dit betekent dat
25% donker marter is, 50% is midden marter en 25% is
Rus. Heeft aan het tot stand komen van de middenmarter een
albino meegewerkt inplaats van een Rus, en worden deze mid-den
marters onderling gepaard, dan ontstaat ama x
ama →am am, am
a, am a en aa. Hier dus weer dezelfde verhoudingen,
echter nu geen Rus maar een albino.
Een andere intermediaire vererving
geeft ons de ijzergrauwe kleur. Deze ligt tussen konijngrijs en
zwart met enkele grijze haren, twee konijnen met deze kleur
geven ijzergrauwe jongen. IJzergrauw x ijzergrauw geeft 25%
zwart met wat grijze haren, 50% ijzergrauw en 25% konijngrijs.
Zo kan men het eenvoudig stellen. In wezen maakt de kleur
ijzergrauw deel uit van een reeks kleuren, waarin zwart met
enkele grijze haren de factor Be heeft en konijngrijs B.
Ijzergrauw heeft dan Be B. De volledige erfformule is AA BeB CC
DD GG. We gaan daarop niet verder in. De vlek- en streeptekening
van de Lotharinger, de Papillon en de Rijnlander is eveneens een
tussenvorm. Ook hier dus een intermediaire vererving. Deze
tekening is een tussenvorm van zeer lichtge-tekende konijnen,
aangeduid met KK en eenkleurige dieren, met letters kk. Bij
fokken met Rijnlanders zijn deze laatst genoemde niet
eenkleurig, maar gelijken enigszins op een Japanner. Paart men
lichtgetekende exemplaren aan de eenkleurige, dan gebeurt KK
x
kk → Kk. Dit is de
tentoonstellings Lotharinger, Papilion of Rijnlander, hoewel
misschien nog niet geheel in overeenstemming met de
standaardeisen. Deze Lotharingers, Papillons of Rijnlanders
geven bij hun jongen
volgens de bekende gang van zaken: Kk
x Kk→ KK Kk Kk
kk.
Men krijgt 25%
zeer licht getekende konijnen (men
noemt deze
Weiszlinge of Chaplins), 50% min of
meer op tentoonstellingsdieren gelijkende konijnen en 25%
eenkleurigen (bij Rijnlanders iets op Japanners gelijkende).
DE TEKENING BIJ DE HOLLANDER
Deze wordt beheerst voor een aantal
factoren, waarvoor de letters S1 S2 S3
S4 enz. worden gebruikt. Bepaalde s factoren geven
alleen een witte neus en witte vlekken aan de benen. Zijn al de
s factoren in het spel, dan is het konijn bijna wit, alleen aan
de staart en op de kop blijft nog kleur. Tussen deze beide
uitersten staat de ten-toonstellings Hollander, waar de tekening
tot stand is gekomen door een samengaan van bepaalde s factoren.
Hoe meer s factoren hun invloed laten gelden hoe minder kleur.
Deze ontkleuring grijpt niet alleen het haarkleed aan, maar ook
de oogkleur. Dat betekent dus dat de kleur in de iris in het
proces wordt betrokken. Als de voorste laag van de iris pigment
kwijt raakt, lijkt het oog blauw. Plaatselijk kleurstof verlies
veroorzaakt oogvlekken, lichtere vlekjes in de gekleurde iris.
De factoren voor Hollandertekening zijn recessief ten opzichte
van eenkleurigheid. Dit is dus het omgekeerde van de toestand
bij de vererving van de tekening bij Lotharingers, Papillons en
Rijnlan-ders, waar eenkleurigheid recessief is ten opzichte van
een zeer lichte tekening.
TANPATROON
Als G wordt tot g
en deze komt dubbel voor, dan ontstaat het zwarte konijn. Maar G
kan ook veranderen in g°. Bij g° g° komt dan het zwart en tan
konijn tot stand. Hetzelfde patroon komt voor bij de andere
variëteiten van de Tan. Deze zijn het resultaat van
combinatieteelt. Een andere combinatieteelt met behulp van g°
(het tanpatroon) heeft de Zilvervos gebracht.
Y FACTOREN
De zwarte Tan die ontstond was nog
lang niet ons tentoonstellingskonijn. De tankleur was nog te
geel-cremekleurig. Door infokken van roodversterkers is de kleur
opgevoerd. Deze factoren kunnen zorgen dat de kleur dieper en
feller tan wordt. Men duidt deze factoren aan met y. Hoe meer
y-factoren hoe beter de kleur. De formule voor een zwart Tan is
AA BB CC DD g g yl y2 enz. Ook de Rode Nieuw Zeelander, de
haaskleurige Vlaamse Reus, de Belgische Haas hebben van deze y
factoren geprofiteerd.
VERZILVERING
Bij de groot en de klein Zilvers
kennen we verschillende graden van verzilvering. Op grond
daarvan worden de Zilvers verdeeld in licht-, midden- en donker
Zilvers. Verzilvering is lang geleden ontstaan door een
mutatie. We geven daaraan de letter P. We schrijven met een
hoofdletter omdat verzilvering dominant is over
niet-ver-zilvering, uitgezonderd over ijzergrauw. Er doen
meerdere factoren P mee. Hoe meer van deze factoren (PI P2 P3
enz.) aanwezig zijn, hoe meer verzilvering en hoe lichter het
konijn.
OORLENGTE EN LICHAAMSGROOTTE
De waarheid ligt in
het
midden is een veel gebruikte
zegswijze die ook bij kruising
van grote konijnen met kleine
konijnen opgaat. Hier gelden
ongeveer de regels die
we hebben
gezien in het hoofdstuk
"Intermediaire Vererving".
Uit een kruising
van b.v.
een
Vlaamse Reus
met
een Tankonijn
mag men een
fl
verwachten, die,
wat grootte van lichaam
en oren
betreft, ongeveer het midden houdt
tussen
beide
rassen
Is de moeder een Vlaamse Reus dan
zullen de jonge dieren groter worden dan wanneer de moeder een
Tankonijn is. Hierbij spelen factoren van buiten af (zie
hoofdstuk "Phaenotype, Genotype en Modificatie") een belangrijke
rol. Bij een andere dier groep, zoals bij paarden en ezels kent
men een dergelijk voorbeeld. Uit een kruising van paard en ezel
ontstaat een muildier als de moeder een paard is. Is de moeder
een ezelin en de vader een paard, dan wordt het veulen een
muilezel genoemd. Ook hier is het kruisingsprodukt uit de eerste
combinatie groter dan dat uit de tweede.
Als de f 1 uit de kruising van Vlaamse
Reus en Tankonijn onderling wordt gepaard krijgen we een f2 die
belangrijk verschilt van de f 1. We zien dan naast de dieren die
praktisch gelijk van grootte worden als de ouderdieren, de fl,
ook nestgenoten die of kleiner of groter worden. Ook hierbij
treden nog onderlinge verschillen op. De oorlengte is meestal in
verhouding tot het lichaam. Hieruit kan men de conclusie trekken
dat lichaamsgrootte en oorlengte op meerdere factoren berusten,
die eventueel gesplitst kunnen worden.
HET HAARKLEED — DE PELS
De pels van het konijn kan ook
onderhevig zijn aan mutaties. Deze kunnen betrekking hebben op
de lengte van het haar, op de structuur, op de vorm.
Het baarkleed van het wilde konijn kan
door een mutatie langer geworden zijn. Hier is dus geen sprake
van een verlies aan haarlengte (geen verliesmutatie), maar van
een vergroting van de haarlengte. Wel heeft deze mutant
dezelfde moeite zich in de vrije natuur te handhaven als andere
konijnen die een verliesmutatie hebben ondergaan. Het konijn
wordt ook gemakkelijk een prooi van zijn natuurlijke vijanden.
Slechts onder de hoede van de mens kan het blijven bestaan en
zich vermeerderen
.
Langhaarkonijnen of Angora's
zijn ongeveer 250 jaar geleden
door een mutatie bij wildkleurige konijnen ontstaan. Door
kruisen met al-bino's ontstonden witte angora's. Dit is als
volgt gegaan. De aanleg voor lang haar geeft men aan door v. v
is recessief ten opzichte van normaal haar, V. Een wildkleurige
Angora heeft tot formule AA w. Een normaal harige albino heeft
aa. Deze twee aan elkaar gepaard geeft in de f2 jongen met Aa Vv.
Immers AA w x
aa W→Aa Vv. Deze jongen aan elkaar
gepaard is Aa Vv x
AaVv.
Het resultaat hiervan is te berekenen
met behulp van het dambord.

Het blijkt dat in de f2 ontstaan 9
wildkleurige normaalhaar konijnen, 3 wildkleur langharige, 3
witte normaalharige en 1 witte langhaar.
Het witte langharige konijn is
fokzuiver. Zowel voor de witte kleur als voor het Angora haar.
Later zijn door combinatieteelt de
gekleurde Angora's ontstaan (de zwarte, ook smoke genoemd e.a.)
Een andere afwijkende haarsoort die door mutatie is ontstaan is
de korthaarpels ofrexpels. Ook de aanleg hiertoe gedraagt
zich recessie/. De eerste konijnen met een rexpels waren
minder levenskrachtig dan normaalharige konijnen. In wezen waren
deze dieren enigszins een degeneratie. Ook de pels gaf de indruk
een gedegenereerde vorm van normaal haar te zijn. Door
teeltkeuze en selectie is daarin verbetering gebracht en thans
is een korthaar konijn net zo gezond als elk ander konijn.
Tevens is de korthaarpels veel verbeterd. Aan de factor voor
korthaar is het woord rex gegeven. Een nor-maalharig
konijn heeft Rex als factor.
De oorspronkelijke korthaar was
beverbruin, en heeft de naam gekregen Castor Rex. Nadien zijn
door combinatieteelt allerlei andere kleuren op het korthaar
konijn gefokt.
De mutatie die de rexpels teweeg
bracht is, onafhankelijk van elkaar, enkele malen voorgekomen.
In 1919 deed de Franse Rex zijn intrede, in 1926 ontstond in
Lübeck een korthaar konijn en in 1927 gebeurde in Normandië
hetzelfde. De aanleg tot de drie rex-pelzen is niet dezelfde.
Onderling gepaard geven de drie rexsoor-ten normaal haar.
Van latere datum is de Satijnpels.
Ook deze berust op een mutatie en ook deze gedraagt zich
recessief. Men duidt de aanleg aan door sa. Vlak na hun geboorte
is het haar van het zeer jonge konijn gelijk aan dat van
normaalharige. Spoedig verliest het haar echter merg. Op het
konijn ontstaat dan de pels die doet denken aan satijn. De witte
Satijn heeft een ivoorglans over de beharing en wordt daarom ook
Ivory genoemd. Tegenwoordig komen ook gekleurde Satijns voor.
Hoewel deze verkregen kunnen worden door inkruisen van gekleurde
normaalharige konijnen (in de f2 heeft men deze dan) maken
fokkers ook gebruik van een kruisen met Rexkonijnen.
Het Voskonijn, dat een beharing heeft
van vier tot zeven cm, wordt gerangschikt onder de afwijkende
haarsoorten, evenals de reeds genoemde Angora, Rex en Satijn.
In tegenstelling tot de laatste drie
is bij het Voskonijn geen sprake van een mutatie maar een
combinatie van factoren. Voor alle dui-delijkheid volgt hierna
een opsomming hoe de verschillende haar-
structuren ten opzichte van elkaar
"mendelen" wanneer kruisingen
worden toegepast.
Ook hier gaan we uit van fokzuivere
dieren!
Normaalhaar is dominant t.o.v. Angora,
Rex, Satijn en Voskonijn
d.w.z. normaalhaar maal Angora, Rex,
Satijn of Vos geeft steeds
normaalhaar in de f 1.
Angora maal Rex geeft normaalhaar
Angora maal Satijn geeft normaalhaar
Angora maal Vos geeft Angora
Rex maal Satijn geeft normaalhaar
Rex maal Vos geeft Rexbeharing
Satijn maal Vos geeft normaalhaar
Bij dit alles moet men bedenken dat er
meerdere soorten rexpelzen
in het spel kunnen zijn, die het
bovenstaande ogenschijnlijk zouden
kunnen tegenspreken.
VERERVING VAN HET GESLACHT
De lichaamscellen van de ram hebben in
hun chromosomen een factor die we met X aanduiden, maar ook een
factor die we Y noemen. De ram is dus XY. De voedster heeft
alleen X en de formule is dus XX.
Bij de dekking van de voedster door de
ram en bij samensmelting van eicel en zaadcel gebeurt:
XY x XX→ XXXXYXYX
Het blijkt dat bij de jongen de kans
op een ram en op een voedster gelijk is.
LEUCISME
Leucisme geeft een wit konijn met
blauwe ogen. Alleen de voorste laag van de iris mist pigment.
In deze halfdoorschijnende iriswordt het invallende licht
gebroken en lijkt de iriskleur blauw. Leucistische konijnen zijn
de witte Wener, de blauwoog Pool e.a. De factor voor leucisme
geeft men aan met x. Deze is recessief ten opzichte van
niet-leucisme (X). Een witte Wener heeft dus xx. Evenzo de
andere leucistische konijnen.
In sommige stammen leucistische
konijnen, vooral bij witte Weners, komt een aanleg tot vallende
ziekte (epilepsie) voor, die zich recessief gedraagt ten aanzien
van de afwezigheid van deze aanleg.
SUBLETHALE FACTOREN
Bij de vererving van de tekening bij
Lotharinger etc. heeft nog een andere factor invloed. We komen
hier op het terrein van de lethaal en sublethale factoren.
Lethaal = dodend. Sublethaal = verzwakkend.
Bij Lotharinger, Papilion en
Rijnlander speelt een sublethale factor mee. Men geeft deze aan
door 1. Deze is recessief ten opzichte van gezond, letter L.
De sublethale factor is verbonden aan
de factor voor zeer lichte tekening. K en 1 vererven dus samen.
Als K dubbel voorkomt is ook 1 dubbel aanwezig. Bij het fokken
met tentoonstellings-Lotharingers gebeurt:
Kk
Kk
→ KKKkKkkk
IL X
IL
11
IL IL LL
Het blijkt dat de 1 dubbel aanwezig is
bij de zeer lichtgetekende
dieren (KK). Bij de eenkleuringen (kk)
komt voor LL. Deze zijn
gezond. Bij de Kk dieren (de
tentoonstellingsexemplaren) is Li
aanwezig. Ook deze zijn gezond, omdat
de L dominant is over 1.
Alleen bij de zeer lichtgetekende
Lotharingers kan de sublethale
factor tot uiting komen, omdat hij
hier dubbel voorkomt. KK 11.
Bij het fokken met Papillons en
Rijnlanders geschiedt hetzelfde.
Er zijn stammen waar de sublethale
factor niet meespeelt of slechts
weinig invloed heeft.
De tekening
vererft intermediair.
De sublethale factor, verbonden aan K,
vererft normaal, dus met uiting van dominantie en recessiviteit.
Lijst van verschillende in Nederland
voorkomende kleuren bij de raskonijnen met vermelding van de
genetische symbolen, zoals die in Duitstalige landen (A)
gebruikt worden en zoals die in Engelsalige landen (B) worden
toegepast.
Daar waar geen sprake is van
intermediaire vererving worden de symbolen slechts enkelvoudig
aangegeven.



Tevens
verkrijgbaar bij de NKB-Drukwerkcentrale
NKB-Standaard
Cavia Standaard
Dwergkonijnen,
B.J.
Wermer
Konijnen,].
Coborn, onder
redactie van B.J. Wermer
Kippen houden als
liejhebberij,
A.C. Banning-Vogelpoel
Tekeningrassen,
J.
Roobol
Voortplanting en
erfelijkheid,
J. Roobol
Afwijkende
haarstructuren,
J.
Roobol