Bron: Fokkersbelangen geschreven door M A Verhelst

De spijsvertering bij onze konijnen
Ons konijn behoort tot de enkel magige dieren. Derhalve onderscheidt hel zich van het schaap, rund en geit. Door de mogelijkheid om plantaardige vezelstoffen te verteren onderscheidt het zich ook van het varken. Het meest vergelijkbaar is de spijsvertering van het paard. Beide hebben gemeen, dat de zeer grote blindedarm een belangrijke rol speelt in de spijsvertering. Even zo als het paard kan een konijn zijn eten niet opbra­ken, daar de maag niet over genoeg spieren beschikt. Hoofdzaak van de spijsvertering is, dat het dier de voedingstof gebruikt voor opbouw van het lichaam, de energie vrij maakt voor de instandhouding van de lichaamsfuncties. Om bij problemen van dit functioneren hulp te kunnen bieden, is de kennis van deze problemen voor iedere fok­ker van belang. Vele spijsverteringsstoornissen kunnen in het aanvangsstadium met eenvoudige middelen verholpen worden, hetzij door bepaald voer niet te verstrekken, door over te gaan op een ander voer, voer te minderen en meer ruw vezel te verstrekken. Het simpelste is door zelf te constateren dat men voeder fouten gemaakt heelt en daar­door deze moet corrigeren. Het spijsverteringskanaal van het konijn is vrij lang totaal ongv. 5 a 6 cm. Het voedsel wordt door de mond opgenomen, gekauwd en ingeslikt. Zij geraakt door de slokdarm in de maag. In de maag wordt het door toediening van maagsappen tot een voedselbrij gevormd, hier wordt tevens door de maagklieren zetmeel en eiwit splitsende gis­tingen toegevoegd. Van af daar begint het zijn weg door het uitgebreide darmkanaal. Door de twaalfvingerige darm belandt de voedselbrij in de dunne darm. Hier werken diverse spijsverterings afscheidingen op de voedsel bestanddelen in, de afscheiding der buikspeeksel klieren van de darmslijmhuid en de gal. Het galsap zorgt voor de fijne verdeling van de in het voeder zittende vet, de andere secreten splitsen zetmeel tot sui­ker en eiwit tot aminozuren. Slechts deze grondbouwstenen gaan in het bloed over en worden daar verwerkt. De dikke darm ont­trekt de voedselbrij van overtollig water en voert dat weer het lichaam toe. Bij diarree functioneert dit bijvoorbeeld niet, zo dat die dieren uiteindelijk uitdrogen. In de dikke darm vinden ook bacteriéle gistingen plaats, uit de afbouw producten wordt als laatste energie gewonnen die ten dienste komt van het lichaam. Bekijkt men de spijsverterings organen van een geopend konijn /o \uli direkt op de grote blindedarm. De/e blinde darm is de gistingskamer voor devezelstoffen. Daar bevinden zich bacteriën welke de vezelstoffen van het voer tot zet­meel en verder tot suikers splitsen. Dit bacteriële gistings gebeuren in de blinde darm maakt het alleen mogelijk dat hij gras en hooi kan verwerken. Dat deze gebeurtenissen zeer storings vatbaar zijn, is licht te begrijpen als men dan nog weet dat bacte­riën zeer speciaal zijn en op voeder omschakelingen direct reageren. Van daar dat men Ook bijzonder attent moet zijn bij overscha­kelen van winter-op zomer\oer(groenvoer). Echter ook behandelingen met artsenij mid­delen zo als antibiotica kunnen die gisting weerspannigheid in de blinde darm tot ineenstorting leiden.

 

Eiwit: Alle producten uit of van konijnen zijn van een eiwitachtige aard. Derhalve moet in de bouwstenen voor het maken van deze producten in de spijsvertering van onze dieren eiwit aanwezig zijn. Alle cellen van het konijnenlichaam bestaan in meer- of mindere mate uit eiwit, het is voor al vlees, bindweefsel, huid en haar. Het is belangrijk te weten dat dit dierlijk eiwit enkel en alleen slechts uit hel eiwit van het toegediende voedsel gemaakt kan worden. Chemisch gezien bestaat eiwit uit lange keten bepaalde grondbouwstenen en aminozuren. Bij de spijsvertering worden deze ketens door de spijsverteringssappen ook in de blinde darm door bacteriën gespleten. Deze ami­nozuren gaan in de dunne darm en in de dikke darm via de darmvlokken in het bloed over en worden door de cellen, in het bijzon­der de spiercellen getransporteerd. Daar worden deze bouwstenen tot de geheel typische eiwit van konijnenvlees samen gebouwd. Voor de praktische voedering betekent dit, dat vlees aanzet slechts gemaakt kan worden wanneer genoeg eiwit in het voedsel voorhanden is. Ik moet hier gelijk op wijzen, dal een overschot aan eiwit indien dit lang aanhoudt voor het dier scha­delijk is en zelfs tot eiwit vergiftiging kan leiden. Eiwit wordt vaak ook als ruweiwit of als protein ook wel ruwprotein aangeduid. Dit is een voeder middel het totaal bevat­tende eiwit. De genoemde aanduidingen betekenen allemaal het zelfde. Onder het begrip verteerbaar ruwprotein is alleszins wal anders te verstaan. Geeft men b.v.b. 100 gram zuiver ruwprotein als voeder, dan vindt men daar van 30% terug in de mestbal, zo is dus 30 gram onverteerd en 70 gram is door het dier opgenomen of te wel ver­teerd. Men spreekt dan van een verteerbaar­heid van 70% of dat eiwit ook verteerd wordt is daar mee nog niet bepaald. Het gehalte in een voeder middel wordt het meest in procenten of in grammen per kilo voer aangegeven. U dient er echter op te letten of er ruwprotein of verteerbaar protein aangegeven staat. Als vuist regel kanmen in aanmerking nemen 16% ruwprotien in een voeder middel is circa 12% verteer baar ruwprotein.

Energie:

Voor de instandhouding van de levens voort­gang bij het dier is beslist energie vereist. De verteringsarbeid, de instandhouding van de lichaamstemperatuur, de ademhaling, natuurlijk ook de ombouw van voedsel eiwit in vlees, de voortplanting, bij al deze gebeurtenissen wordt energie verbruikt, die door het voeder toe geleverd moet worden. Deze komen in de regel uit zetmeel en sui­kers welke in ons voeder zit. Een rijk zetmeel voeder middel zo als tarwe (granen) duiden wc ook aan als krachtvoer. Een overschot aan energie wordt niet uitgescheiden, maar wordt als vet in het dierlijk lichaam opgesla­gen. Erg vervette dieren duiden dan ook op een zeer hoog energie gehalte in het ver­strekte voeder. De vervettingsgraad hangt ook te samen mei erfelijke aanleg en leef­tijd.Als maat voor de verbrandingswaarde van een voeder middel, de energie, is velen van ons bekend de calorie, voor enige jaren terug werd als nieuwe maateenheid de joule ingevoerd. Daar bij is 4 joule ongeveer één calorie. Zei men het begrip kilo voor de maateenheid, zo ontstaat daar door een kilocalorie, is respectievelijk een kilojoule. Deze kilo heeft niets met een kilogram te doen, maar betekent eenvoudig "duizend". 1 kilocalorie = 100 calorieën en I kilojoule = 100 joule. Vervolgens geldt dit voor "Mega". 1 megajoule = 1000 kilojoule = 1 miljoen joule afgekort l.MJ. Op het energie verbruik van onze konijnen wordt nog nader ingegaan. Op het etiket van de door de voeder fabrikanten gemaakte konijnenvoer staat meestal 10.5 MJ. DE. DE bete­kent verteerbaar energie en komt uit het Engelse begrip "digestible energy". De ver­houding is gelijk als bij eiwit. Verteerbaar energie is de bruto brandwaarde van een voeder middel na aftrek van ongeveer  5%, welke laatste in de mestbal wordt uitgeschei­den. Hier wordt duidelijk dat dieren onbe­nut een gedeelte wederom uitscheiden.

Ruwvezel:Plantaardige voederstoffen beschikken over verschillende delen aan ruwvezel. In prin­cipe gaat het hier, wie de betekenis netjes uitspreekt om vezelstoffen echter ook om verhoute stoffen. Chemisch gezien bestaat ruwvezel uit celluso en lignine, die bij het rund in de voormaag (pens), bij paard en konijn in de blinde darm tot zetmeel en suikers omgebouwd worden. Zij voorziet derhalve bij deze diersoorten in een vaste voeder waarde. Daarom juist heeft zij bij konijnen een enorme betekenis. We weten dal de spijsverteringsorganen bij konijnen nauwelijks spieren bezitten, om de voedselbrij naar de endeldarm ie transporteren. Deze vezelstoffen bewerken een gelijkmatig transport  van  het  voedselbrij  door dieafzonderlijke darm afdelingen. Wanneer we bij de menselijke voeding van ballaststoffen spreken zo is deze ruwvezel vergelijkbaar. Bij nauwkeurige observatie van de mestballen ziel men mei het blote oog nog korte stukjes vezel zitten. Het voedsel wordt zo letterlijk door steeds nieuwe voedsel opname door de darmen vooruitgeschoven. Dat dit systeem zeer storings- vatbaar is spreekt voor zich zelf. Ingedikt voedsel belast de darm, een verstopping van de blinde darm is mogelijk en een foutieve gisting in de blinde darm is het gevolg. Daarom is het van groot belang om op een voldoende ruwvezel aandeel bij het konijnenvoeder te letten. Het wordt in de regel met procenten aangegeven, voor berekeningen rekent men het meest met grammen in ruw­vezel per kg. voeder. Hooi heeft zo wat 25% ruwvezel, dat is 250 gram per kg. hooi. Kracht voeder zo als tarwe heeft daar en tegen nauwelijks ruwvezel, zo dat altijd hooi bij gegeven moet worden.

Droge substantie:Het droge substantie van een voeder middel wordt vastgesteld, door dat een proef van b.v.b. 100 gram exact afgewogen wordt en dan in een droogtrommel of droogoven bij een temperatuur van 105 graden 12 uur gedroogd wordt. Daar bij verdampt het water en blijft alleen de droge stof over. Het begrip droge massa betekent precies hel zelfde. Het handelt hier om de verse massa vermindert met het water gehalte. Als voorbeeld: het gewichtsverlies van 100 gram gras. na het drogen wordt vastgesteld dat dit nog 20gram weegt. Dit betekent dan dat de droge substantie of massa 20% bedraagt en 80% water verdampt.Bij hel lezen van voeder waarde tabellen moet men daar wel op lenen of men hier ie doen heeft niet droge substantie (massa) of verse substantie (massa).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

- - - - - - - - - - - -                     - - - - - - - -                - - - - - - -

Bij de waarde behoefte voor eiwit moet men opletten, dat het in de tabel gaat over ruweiwit of ruwprotein en niet om verteerbaar eiwit. Voor het omrekenen in verteerbaar eiwit moet u de waarde verminderen met 30%.De waarde behoefte voor energie is aangege­ven op de basis van verteerbaar energie. De waarden worden aangegeven als richt­lijnen, zij zijn ook afhankelijk van grootte, leeftijd, temperatuur en meerdere factoren.

Mineraal stoffen en sporenelementen:Bij mineraal stoffen gaat het om mineralen waar van na verbranding resten of as overblijft. Daarom wordt op een tabel altijd het as of ruwas vermeldt. Dit betekent dat er van die groep calcium, fosfor en natrium in zit. Wanneer er in het bereik van 0,1-2% in zit spreekt men ook wel van een mengsel element. De groep der sporen elementen zo als ijzer, koper, zink en andere elementen komen alleen in zeer geringe mate voor circa 0,1% .De verdeling van de enkele mineraal stoffen in het lichaam van onze konijnen is zeer verschillend. Terwijl calcium en fosfor hoofdzakelijk in het skelet voorkomt, ter­wijl daar ook de groei plaats vindt, wordt natrium en kalium afgegeven aan het bloed. In korrelvoer wordt bij de samenstelling genoeg gemengd mineraal stoffen toege­voegd en is geen aanvulling hier van nodig.

Calcium:98% van in het lichaam aanwezige calcium bevindt zich in het skelet. Bij een te kort leidt dit tot rachitis bij opgroeiende jonge dieren en bij volwassen dieren tot bot breuken. Vooral dragende voedsters hebben in de twee laatste weken van hun dracht ver­hoogde behoefte aan calcium daar de jon­gen in de baarmoeder dan reeds beginnen met de vorming van hun skelet. Zogende voedsters hebben eveneens verhoogd cal­cium behoefte nodig daar in de moedermelk calcium wordt afgegeven. Bij een voedster van de midden rassen is dat dagelijks ca. S gram welke via de melkgift wordt afgegeven. Is de toevoer door het voeder niet toerei­kend, dan wordt dat door de voedster aan haar eigen lichaamsgeraamte onttrokken, hierdoor ontstaat bot weekheid met alle gevolgen van dien

.Fosfor:Een te kort aan fosfor veroorzaakt naast nadeel aan de botten voor al vruchtbaarheidsstoringen. De calcium behoefte en de fosfor behoefte staan tot elkaar in nauwe betrekking. In het voer zal ongeveer twee maal zo veel calcium als fosfor aanwezig zijn. Dit laat zich echter onder praktische omstandigheden nauwelijks controleren en geldt ook hier het bovenstaande ten aanzien van hel bij voederen van mineraal stoffen. Ook fosfor is voor zogende voedsters belangrijk, daar konijnenmelk 1% fosfor bevat, dat is 5 maal zo veel als koemelk, deze behoefte moet door het voedsel toegediend worden.

Samenstelling van konijnenmelk in vergelijking met koemelk.

 

bestanddeel

konijnenmelk

in %

koemelk in %

droge substan-

 

31.0

12.0

tie(massa)

 

 

 

water

 

69.0

88.0

eiwit

 

13.0

3.5

vet

 

12.0

4.0

suiker

 

2.0

5.0

as

 

2.5

0.7

calcium

 

0.9

0.2

fosfor

 

1.0

0.2

                .

Natrium: Keukenzout is de belangrijkste en ook de goedkoopste natrium leverancier, Het is bekend dat kleine hoeveelheden keukenzout in het voedsel gunstig werken op de eetlust en deze stimuleren. Ook drinkwater moet dan echter verstrekt worden. Natrium regelt de bloedsomloop en is bij de zenuwgeleiding betrokken.

Sporenelementen: Bij afwisseling van rijk voedsel zijn tekortkomingverschijnselen  in de sporenelemen­ten niet te verwachten. Ondanks dat zal ik de functie van die stoffen hier kort beschrij­ven. IJzer is het clement welke bij de bloedontwikkeling betrokken is. De rode bloedkleurstof is een eiwit verbinding (hemoglo­bine) welke zonder ijzer niet gemaakt kan worden. Bij varkens moet b.v.b. dit ijzer te kort in de melk door aanvullende maatrege­len gecompenseerd worden. Daar echter in hooi en groen voer voldoende ijzer voorhan­den is, zal dal te kort bij konijnen niet optre­den. Koper is van betekenis voor de prestatie en gezondheid van onze konijnen. Hel neemt aan vele stofwisselingen deel. Ofschoon men de precieze oorzaak niet kent, werpt koper zich als groei bevorderaar op en wordt derhalve ook in korrel voer toegevoegd. Zink te kort voert tot gebreken aan de pels en de huid. Aan de andere kant zijn zinkvergiftigingen bekend door het dicht slibben van de bloedvaten. Voor alle sporenelementen geldt dat bij over schrijden van een bepaalde hoeveelheid deze ook gif­tig kunnen werken. Onder praktische voor­waarden hoeft men echter aan het gehalte van sporen elementen niet zoveel aandacht te schenken, daar de grens hier van zeer hoog ligt, daar bij komt nog dat overtollige elementen worden uitgescheiden.

Vitamines. Vitamines zijn belangrijke stoffen voor de instandhouding van de levens voortgang van onze konijnen. Vitamine kan in het algemeen niet door de dieren zelf aange­maakt worden. Het konijn maakt hier in het bijzonder bij de B-vitaminen een uitzonde­ring. De vitaminen worden in twee groepen ingedeeld: de vetoplosbare dat zijn de vita­minen A, D, E en K en de water oplosbare vitamines, dal zijn de vitaminen van het B-complex en het C vitamine. De behoefte wordt naar internationale eenheden (I.E.), gedeeltelijk ook in mikro- of in milligram­men aangegeven. I mikrogram = 1 miljoen­ste gram. Hier aan ziet u meteen in hoe kleine hoeveelheid die stoffen werken. Een totaal gebrek aan één of meerdere vitamines duidt men aan als avitaminoze. Deze is praktisch onder normale omstandigheden niet mogelijk.

Vitamine A. Het vitamine A is ook bekend als groei vita­mine eveneens als beschermingsvitamine van de huid, bij vaklieden als retinol. Voor de konijnenfokker is de kennis van de wer­king van het vitamine A van betekenis. Het beste bewijs is zijn effect op het kijk proces. Het is het bestanddeel van het vaatvlies, dat door een bepaalde belichting rood reflecteert. Belangrijk in de konijnenhouderij is zijn werking op de huid en in het bijzonder op de slijmhuid.Een te kort veroorzaakt in meer of mindere mate verhoorning in de huid en slijmhuid. Door deze werking is gemakkelijk voor te stellen dat beschadigingen van de slijmhuid terecht noodlottige gevolgen kunnen heb­ben. Is de slijmhuid in de luchtwegen beschadigd, zo kunnen in de lucht altijd voorhanden zijnde ziekte verwekkers (bac­teriën) in het lichaam door dringen en door ongunstige omstandigheden tot ziektes lij­den. Voor de vruchtbaarheid is een bescha­digde slijmhuid eveneens nadelig. De eieren worden weliswaar in de eileider wel bevrucht maar kunnen zich daar niet inkapselen en zich ontwikkelen. Een verreweg bekende waarneming in de konijnenhouderij is altijd weer te horen, dat voedsters makkelijker drachtig worden wanneer men ze in het voorjaar heeft omgeschakeld op groenvoer. In vele gevallen gaat het hier dan om een vitamine te kort. Groen voer heeft wel is waar alleen een voor af gaande vorm van vitamines, het provitamine A of ook wel bètacaroteen genoemd. In het dier wordt uit de voor af gaande vorm vitamine gemaakt. Wie dus in de winter maanden zijn voedsters laat dekken moet onverwijld vita­mine A bij voeren. De betekenis van vita­mine A gaat nog veel verder. De spijsverteringsorganen bij alle levende wezens zijn met slijmhuid bekleed. Het vitamine A zorgt hier voor de correcte functie van de slijmhuid, b.v.b. in de darm, waar de voe­dende stof door de darm wandvlok ken in de bloedsomloop over gaan. Functioneert deze overgang van de voedende stof in het bloed niet, om dat de darm beschadigd is, dan komt het bij jonge dieren spoedig tot diar­ree, echter ook wel tot vergiftiging door de afval producten van het voer. Daarom is een vitamine A aanvulling ook voor jonge die­ren enorm belangrijk. Zogende jongen halen hun benodigde vitaminen uit de moe­dermelk, wanneer de voedster uitstekend verzorgd wordt, echter ook reeds als embryo in de baarmoeder door de moederlijke bloedsomloop. Afgezette of gespeende jonge konijnen zijn daarom op een toeslag aangewezen wanneer geen groenvoer ver­strekt wordt. Het eenvoudigst is om naar behoefte korrelvoer te verstrekken daar deze toereikend zijn voorzien van de beno­digde vitamines. Ik wijs u er echter wel op dat vitamines in korrel voer maar 3 maan­den na de aanmaak datum houdbaar zijn. Ook in drinkwater kan men een vitamine toeslag verstrekken.

Provitamine A of bèta caroteen

Bètacaroteen is de voorbewerkte stof van het vitamine A, ook als provitamine A bekend. Het komt hoofdzakelijk voor in groenvoeder. Uit deze vooraf bewerkte stof wordt door het dier het vitamine A zelf gemaakt. Uit ervaring is bekend dat in de grootvee fokkerij het bètacaroteen een eigen werking heeft.Voor ons is die werking op de vruchtbaar­heid belangrijk. Helaas is het bètacaroteen zeer voorraad gevoelig. Zet men het gehalte in groenvoeder op 100% dan is het door drogen tot hooi terug gebracht naar 50?'o. Door het opslaan van hooi verliest het ook veel aan gehalte en is het in de winter prak­tisch tot minimaal gereduceerd. Het niet drachtig worden van de voedsters in de maanden januari en februari ligt hier vast en zeker aan ten grondslag, (zie grafiek)

 

 

Een goede mogelijkheid ter aanvulling biedt zich ook hier aan door een mineraal voer welke in de handel is. Bij aankoop dient men er op te letten dat het een mineraal voeder is met bètacaroteen. 1 a 2 milligram caroteen per dier per dag is genoeg om dit gemis te voorkomen. Voor het gemak zij echter nog vermeld dat deze mineraal voeder ook alle andere vitamines bevat, zo dat je meerdere soorten niet dient te kopen. Zo gauw je echter groenvoer bij voert, dien je dit niet meer te geven, doe je dit wel dan is het ook niet schadelijk maar effect heeft het niet meer.

Vitamine D

De betekenis anti rachitis vitamine slaat op de werking van het vitamine D. Het voor­komt rachitis, daar het meewerkt aan het opslaan van de mineralen als calcium en fosfor. Hoe minder de aanwezigheid van mineraalstoffen hoe belangrijker het vita­mine D wordt daar het de verwerking van calcium en fosfor bevordert. Nu is echter de behoefte bij konijnen van vitamine D zeer gering, zo dat een tekort bij gewoon voer niet gevreesd dient te worden. Bij vitamine D3 kan provitamine door de dieren zelf gemaakt worden wanneer ze maar vol­doende daglicht krijgen. Bij over dosering van vitamine D slaat hij dit calcium en fos­for op, niet alleen in de botten maar ook in spieren en slijmhuid. Derhalve zal men een speciale toeslag van vitamine D niet te snel toedienen.

Vitamine E

Vitamine E is voor de stofwisseling in de cellen bij onze konijnen verantwoordelijk, bovendien beschermt het dat vitamine A voor te snelle verval door zuurstof. Een vita­mine E te kort voert tot verandering van de spier en lever werking. Deze verandering van de lever leidt snel tot storingen van de vruchtbaarheid, daar de lever een groot aandeel heeft bij het sturen van hormonen. Daarom wordt vitamine E ook wel vruchtbaarheidsvitamine genoemd. Tevens kunnen bij een te kort aan vitamine E de embryo's ook in de baarmoe­der nog afsterven. In jong groenvoer is het vitamine E gehalte zeer hoog, even eens in gekiemde tarwe, niet echter in granen, bezinksel uit de oliewinning en magere melk (tarwekiemolie). Bij groenvoer is een te kort over het algemeen niet mogelijk, in de win­ter kan dit voorkomen worden door het geven van korrelvoer of door extra mineraal voer te verstrekken.

 

Wateroplosbare vitamine of vitamine B-complex

Deze vitaminen worden bij industrie voeder middelen aangegeven of onder verscheidene aanduidingen genoemd. Vitamine BI (thiamine), vitamine B2 (riboflavin), vitamine B6 (pyridoxin) en het vitamine B12 (cyanocobalamin) zijn de belangrijkste. Zij spelen echter bij de voedering van onze konijnen derhalve geen rol, omdat ze in de blinde­darm onder de invloed van verscheidene bacteriën zelf gemaakt worden. Volledigheidshalve zijn echter enige tekortkomingen vermeld: geringe groei, huid-en weefsel veranderingen. Veelvuldig wordt als ondeugd of gebrek een bijzondere gedragswijze der konijnen omschreven het zo genaamde mest (keutel) eten, bij gelegenheid ook als coprophagie genoemd. Zeer zeker heeft elke fokker wel eens een vorm van aaneen geschakelde keutels gelijkende op een kleine druiventros welke nogal blin­ken in zijn hokken aangetroffen en hier bij gedacht dat zijn dieren aan de diarree waren. Niets is minder waar het gaat hier om afscheidingen welke veel vitamines bevatten en worden meestal direkt bij het verlaten van de anus opening opgepeuzeld. Deze zachte keutel wordt in de blinde darm gevormd op microbasische grondslag en is zeer rijk aan vitamines van het B-complex, ze wordt als zachte substantie uitgescheiden en direct weer opgenomen. Om zo te zeggen gaat het voor de tweede maal in het spijsverteringskanaal een worden de vitamines daar uit, door de lichaamscellen opgenomen. Op basis van deze grondslag is een aanvullende toediening van het vitaminen B-complex zeer zeker niet nodig. Zoals gezegd de dieren worden op wat voor grond van een ziekte verschijning met antibiotica of sulfaat mid­del behandeld, deze dokters middelen doden een deel van de aanwezige bacteriën en het vitamine beeld blijft zo lang gestoord tot zich nieuwe bacteriën gevormd hebben. Dit is ook het geval bij het toepassen van kuren tegen coccidiose met sulfaat mid­delen, zodat in dergelijke gevallen het vita­mine B-complex aangevuld dient te worden. Een recept voor toediening van sulfaat mid­del of antibiotica ligt bij een deskundige (dieren arts), doet men dit toepassen vraag dan ook gelijk tijdig om een vitamine B-complex voor toediening om erger te voorkomen.

M.A.V