
Bron:artikel van het
NHD forum. Vermoedelijk afkomstig uit het tijdschrift
Fokkersbelangen.Datum/jaargang ?
Konijnenhaar.
Fragment uit"Het konijnenhaar". Door Rinus
Verhelst.
Met het begrip”pels”kan men niet de beharing alleen noemen :
Pels = huid en haar samen.
In meerdere rasbeschrijvingen van de
Standaard wordt van een kortere of langer normaalhaar pels
geschreven, zonder nadere aanduiding. Het begrip, korter of
langer, is te omvattend en daarom niet bruikbaar voor een
objectieve beoordeling van de lengte der beharing. Dit past
beter bij een subjectieve uitdrukking, b.v wanneer bij
raskonijnen gezegd wordt: de pels is kort en dicht, glanzend en
zacht .Zachte en een dichte beharing gaan niet samen , omdat dit
nu eenmaal niet mogelijk is.In vakbijdragen gebruiken enige
auteurs het begrip”pels”niet meer alleen, maar zetten tussen
haakjes “beharing”daar achter. Dat is goed en correct. Echter
waarom niet bij positie 3 “pelsbeharing en” beharingsconditie”noemen?
Daar de pelshuid in positie 1 beoordeeld wordt ook juist is.
De haarsoorten als hoofdthema.
Tot hier en niet verder met het begrip “onderwol” en dit
vervangen door “onderhaar”.Waarom? Uit konijnenhaar ( normaal
haar) wordt geen wol gesponnen, wel een zeer goede viltsoort,
welke gebruikt voor het vervaardigen van hoeden. Niemand is
hierbij op het idee gekomen om hier over “vilthaar”te spreken.
Wol is een gesponnen draad uit haren van dieren of plantenvezels.
( boomwol). Het normaalhaar ( konijn) heeft geen wolharen
hoogstens “wollige”onderharen, en dat is dus geheel wat anders.
De vorengenoemde begrippen vereisen daardoor ook het exacte
gebruik van het begrip dekhaar en grannenhaar. Het mag misschien
zo zijn dat uit wetenschappelijk standpunt gezien het dekhaar
een granhaar is. Het konijn heeft echter duidelijk 2
verschillende granhaar-soorten in vorm, lengte en kleurzones. De
hier voorgeslagen benaming is de exacte beschrijving wegens
dwingende noodzaak.
De haarsoorten van het
normaalhaarkonijn.
Bij de beoordeling van de beharing zijn de
pelsharen te beoordelen op o.a de verschillende haarlengten van
de afzonderlijke haarzones, voornamelijk kop, oren en benen. Ook
de borst wijkt in verhouding af t.o.v de romp .In de volgorde
van de waardigheid van de haarsoorten van het dier vindt in
tegenstelling tot de meeste auteurs en de Standaard een andere
volgorde van de haarsoorten plaats .Een normaalharig konijn
heeft 3 haarsoorten met uitzondering van de triangel, welke
wordt gevormd door de nek, de achterste orenhelft en tussen de
oren:
-Dekhaar
-Onderhaar
-Grannenhaar
Aanvullend op deze haarsoorten heeft elk
konijn zijdelings van het lichaam leitharen ( stuurharen) , die
t.o.v het overige pelshaar duidelijk uitsteken. Bij de Zilvervos
en Tankonijnen worden deze haren als rassenkenmerk gewaardeerd.
Wie daar aan twijfelt, kijk maar naar pasgeboren dieren, 3 tot 8
dagen, op deze leeftijd zijn deze haren duidelijk zichtbaar.
Deze haren bevinden zich van voren zijdelings van het lichaam
bij zowat de halve hoogte tot aan de staart zijn ze duidelijk te
zien. Later verliezen zij dit contrast, echter niet bij de
Zilvervos en de Tan. Hier schrijft de Standaard witgepunte ,
respectievelijk tankleurige haren, de zg. “spitsen”, voor. In
werkelijkheid hebben deze leitharen een korte zwarte punt.Ze
hebben 4 kleurzones zoals het dekhaar en zijn voor de
pelskwaliteiten ( pels als product) van geen betekenis . In
zoverre blijven ze ongemerkt, evenals de tastharen aan de snuit
en ogen , welke echter in een bloedzakje staan.


↑Onderhaar Dekhaar
↑ ↑Grannenhaar ↑Tasthaar
↑ Hoe
dichter het wolhaar, des te waardevoller is de pels.
De verhouding van het haar = 1:10:400
/ Dit betekent: 1 granhaar : 10 dekharen : 400 wolharen.
Dekhaar.
Het is belangrijk haar in de pels en over
het gehele lichaam verdeeld., slechts in de nek en tussen de
oren is het spaarzamer aanwezig. Het dekhaar is van de wortel
tot de beginnende haarpunten gelijk van dikte en recht. De punt
van het dekhaar is niet bij alle haren gelijk of even lang van
kleur. Er zijn verschillende puntlengtes en variëren van +/- 2
tot 5 mm. Het dekhaar heeft 4 kleurzones en bepaalt met de
puntkleur en de wildkleurzone ( dr.Hochstrasser noemt dit de
onderste kleur) heel wezenlijk qua kleur en de gezamenlijke
indruk van een konijn op het gesloten dek. De lengte van het
dekhaar, volgens de Standaard beschreven, is mede, is mede
bepalend voor de kleur die het dier toont.
Onderhaar.
Het is licht gegolfd , heeft een korte 2
tot 3 mm, lange punt , is wezenlijk dunner (1:10) en duidelijk
korter ( 4:5mm) dan het dekhaar .Het aantal onderharen is naar
verscheidene auteurs het 20-40 voudige van de dekharen .De
lengteverhouding tussen onderhaar en dekhaar is met normale
teeltkeuze niet beïnvloedbaar, wanneer geen mutatieve
veranderingen van nut zijn .Een uitspraak als”Het grannenhaar (
stevig dekhaar) steekt boven de onderwol uiten is over het
gehele lichaam gelijk verdeeld en niet te lang, is slechts fout
in benaming.Het dekhaar overdekt dat onderhaar immers zeer
duidelijk, nl.met de puntkleurzone en de wildkleurzone.
Dit is de regel bij een gemiddelde
haarlengte van 35 mm tenminste 7 a 8 mm.De dichtheid van de
onderhaargroei is foktechnisch beïnvloedbaar onderhaar heeft de
functie de warmte te regelen bij het levende dier. Aangezien de
dekhaarmassa over het gehele jaar gelijk blijft, neemt bij het
onderhaar de massa van winter tot zomerpels duidelijk af.
Onderscheidt van dier tot dier is voorstelbaar en kunnen tot
verbetering van de pelskwaliteit benut worden.
Grannenhaar.
Het is van het aantal op een vlakeenheid
het geringste aanwezige haar. De verhouding tot het dekhaar ligt
zowat bij 1:20 a 1:40.Het is van het dekhaar duidelijk te
onderscheiden. Het granhaar heeft 2 kleurzones en is van de
wortel af ongeveer gelijk van dikte als het dekhaar. Vanaf de
halve lengte wordt het haar aanmerkelijk dikker ( dubbel tot
driekwart) en looptin een lange glanzende punt uit. Het ligt in
een strijkrichting gebogen. Aantal, lengte en verdeling zijn
door teeltkeuze te beïnvloeden. Zo kun je naar ras, echter ook
binnen een kleursla, het grannenhaar dat dekhaar sterk
overdekken.Hierdoor ontstaan verschillende schakeringen, van b.v
bosjesgewijs of gelijkmatig over het dek verdeelde
zwartdoorlopende haren. Het heeft een stutfunctie ( steun) en
kan eigenlijk niet dik en stabiel genoeg gefokt worden, wanneer
er niet natuurlijk wetmatige grenzen zouden zijn. Wanneer we
bovenstaande goed in ons opnemen dan vraag je je eigenlijk af
hoe het mogelijk is dat men op een show kan lezen op de
beoordelingskaart” Fraaie pels” en even later op diezelfde kaart
“is nog niet klaar”? Het begrip “fraaie pels”neemt men zo wel
wat licht op.
Ik citeer nl. de Strandaard letterlijk:
“Normaalhaar, de hoofdwaarde van de
normaalhaarpels ligt in de dichtheid van de onderwol (
onderhaar).De dichtheid van de onderwol ( onderhaar) is
afhankelijk van de hoeveelheid haren op een bepaalde
huidoppervlakte en van de meer of minder krachtige ontwikkeling
van het haar.
Onderwol ( onderhaar).Van veel waarde bij
de totaalbeoordeling van de pels is de dichtheid van de
onderwol(onderhaar).Ieder normaal haarras moet een uitgesproken
dichte onderwol( onderhaar) van krachtige hoedanigheid bezitten.
Bovenstaand citaat wordt op de keuring zeer
slecht toegepast en ik spreek dan nog niet van het 2e
deel van positie 3, nl. de pelsconditie.
Een fraaie pels moet aan onderstaande eisen
voldoen:
- moet regelmatig van lengte zijn.
- moet naar vermogen goed aanliggen.
- verhouding gran, dek en onderhaar moet
fraai zijn.
- elasticiteit van het gran- en dekhaar
moet stevig zijn
- er moet glans aanwezig zijn.
- pels moet volledig doorgehaard zijn.
- bij inblazen mag de huid niet
waarneembaar zijn.
Wanneer de pels aan alle bovenstaande eisen
voldoet dan kan men van een fraaie pels spreken.