
Bron:Tijdschrift
Fokkersbelangen.
Konijngrijs door G.Wesselius. Uit het
tijdschrift: Fokkersbelangen.
← Foto "Catootjes konijntjes"
Een saaie kleur dacht ik vroeger, maar dat
is nu bijna 50 jaar geleden.
Ik had het boekje van Schippers gelezen,”
Erfelijkheidsleer voor den Konijnenfokker”.
Het ontstaan van de kleur zwart leek mij
duidelijk, een eenvoudige erfelijke variatie.Maar dat uit 2
ijzergrauwen ook zwart zou komen vervulde mij van afschuw. Een
goocheltrucje, onbegrijpelijk. Het “waarom”pijnigde mij.
Aangezien de vorm zwart-wildkleur zich in
de praktijk bij alle fokkers voltrok, trad bij mij een
acceptatiefase in. Je legt je tenslotte bij de feiten neer, en
als je dat doet, dan is net alsof je het weet, zonder het
“waarom”te begrijpen.
In het wild treffen we bij zeer veel
pelsdieren de agouti-kleur aan, een eminente mengeling die
beschutting en veiligheid geeft. Het agouti of konijngrijs wordt
dan ook wildkleur genoemd. Zonder verder nadenken wordt deze
kleur gewoonlijk oerkleur genoemd. Immers, de wildkleur nemen we
waar, dus hebben we de neiging om aan te nemen dat de basis de
kleuren de wildkleur aftekening is. Maar dat in onjuist!
Het kleurontwerp van ons pelsdier is veel
mooier dan door een mens bedacht kan worden, en van een
ongelooflijke eenvoud. De scheppingskleur, het ontwerp, van het
wilde konijn is zwart In opdracht van de cellen aanwezige
erfmassa worden enzymen aangemaakt die ervoor zorgen dat zwart
pigment wordt gevormd, het melanine, waardoor niet de zwarte,
maar een gele pigmentvorm ontstaat. Beide vormen van hetzelfde
pigment komen in het haar terecht, waarbij het zwarte pigment
overdekkend werkt, we kunnen het onderliggende geel niet zien.
De erfmassa, waarvan elke cel een
eiwitblauwdruk heeft, geeft een codering af die de enzymaanmaak
regelt, al naar gelang groeitoestand en jaargetijde. Tijdens de
haargroei worden de enzymen aan- en uitgeschakeld en verandert
de pigmentuitscheiding. Dat aan- en uitschakelen der enzymen
wordt door de erfelijke codering geregeld/De woorden “Gen”of
“Genen ”klinken ons al meer vertrouwd.
Er is een Gen dat voor wildkleur codeert,
en dat stukje erfmassa wordt al sinds 1900 met de letter A
aangeduid, en daarmee weet dan iedereen waarover gepraat wordt.
Tijdens de groeifase regelt de erffactor A de enzymvorming en
daarmee wordt door aan en uitschakeling de vorming van zwart
pigment voorkomen, terwijl geel pigment gewoon wordt afgezet. In
het haar komen afwisselende kleurringen. De erffactor A bestaat
uit 2 delen, een deel regelt de kleur op het dek, de
kleurentrechter, het andere deel regelt de tekening, het
wildkleurpatroon, ook wel de uitmonstering genoemd. Bij
Geelwildkleur is de tekening wit, bij zilvervos en tankonijn
steekt de tekening markanter af.
De wildfactor A treedt op als een
onafhankelijk geheel, zoals bij alle Mendelfactoren. Het
tekeningbeeld is reproduceerbaar, steeds ontstaat een onderling
vergelijkbaar beeld in zwart en geel.
Kleurafwijkingen ontstaan in het algemeen
niet door invloed van de wildkleurfactor A, maar door geknoei in
het uitgangspunt, de zwarte uitgangsvorm.( waaronder het geel
verborgen ligt).
Bezien we het bovenstaande, dan volgt de
conclusie dat door de erffactor A zwart pigment aan het
scheppingsmodel onttrokken wordt, waardoor onderliggend geel
zichtbaar wordt. Aan de buikzijde ontstaat een witte kleur, daar
is plaatselijk ook het geel verdund. De pigment uitscheiding is
hier geremd , maar de erfmassa is hier niet veranderd. Met
roodfactoren kan de gele kleur aan de buik weer worden
gereactiveerd. Het zwarte pigment in de gele bandtekening kan
niet worden gereactiveerd; tenzij zoals bij ijzergrauw, de
zwartonttrekking van het gen A wordt teniet gedaan.
Het geel van de wildkleur kan sterk
wisselen, soms bleek, soms rood. Op een keurmeestersbijeenkomst
hoorde ik eens beweren dat de grondsoort in de Betuwe de oorzaak
was van een rodere uitmonstering in de wildkleur. Als die fabel
waar is , dan kun je op het uitgestrekte Europese continent een
en ander verwachten. Maar op Duitse tentoonstellingen zijn de
variaties in kleur niet groter dan bij ons.
Bij konijngrijs kunnen we zeggen: Zoveel
dieren zoveel kleuren. Twee gelijke dieren treft men haast niet
aan.
Een grote spreiding in het zwart en een
even grote spreiding in het geel zorgen voor een zeer groot
aantal kleurencombinaties, ze komen zoals geboren. Bij 5
mogelijkheden in geel en 5 verschillende mogelijkheden in zwart
praten we al over 10 combinatie mogelijkheden. Bij onderlinge
fok is de statistische verwachting dat dan 59000kleurcombinaties
kunnen ontstaan.
We voelen nu toch wel aan dat op dit gebied
het begrip fokzuiverheid niet betstaat. Daarom gaan de meesten
knoeien.
Wordt een “vreemd” zwart diertje door grijs
gefokt dan komt in de eerste generatie een grotere uitscheiding
van zwart pigment, meer zwarte grannen en een sterkere ticking.
Als dat in erge mate is , dan krijgen we het idee dat er een
ijzergrauwe konijngrijs zit. In de daarop volgende generaties
verdwijnt dit effect weer.
Ook de gele kleur is te beïnvloeden.
Sommige fokkers gebruiken geelbelettingsfactoren uit chinchilla
en blauwgrijs, in de hoop dat de hetrozygote vorm een gedempte
gele toon zal hebben. Van blauw is bekend dat de gele kleur
hierdoor tot crème wordt verdund. Dus valt er nog wel eens een
blauwgrijze in de nafok, die, schrik niet, vaak een witte
grondkleur in dek en borst vertoont.
De chinchillafactor is ook een geliefd
iets, er komt dan een geelbelettingsfactor in de nafok, waarvan
men hoopt dat die zo doorwerkt dat de dekkleur mooi grijs wordt.
Een chinchilla factor tast echter ook het zwart iets aan,
waardoor er sepia-achtige kleuren kunnen ontstaan.
Zwaar foutief is natuurlijk het gebruik van
marterfactoren. In het konijngrijs ontstaat dan een zichtbare
sluier, omdat het zwarte pigment op de flanken sterk verdunt
wordt.
Wildkleur marters en de heterozygoten half
chin en half marter, zijn lelijk om te zien. Ook d epool is
vroeger wel benut. Er is een grote kans op witte nagels, pluizen
en witte haren, en die zijn niet vlug weer weg.
Kruisen levert bijna nooit iets op, zeker
geen stabiele nafok. Het beste is om binnen de eigen stam te
blijven, maar dan ook minstens 5 tot 10 rammen aan te houden.
Voortdurende teeltkeuze geeft kwaliteit. Teeltkeusresulaten
worden door kruisen ogenblikkelijk te niet gedaan! De door
teeltkeus geprogrammeerde erfmassa wordt door de nieuwe
toegevoegde erfmassa onmiddellijk in de oorspronkelijke vorm
teruggebracht, alle vroegere inspanningen gaan verloren.
Stam-eigen dieren kunnen wel gebruikt
worden. Valt er zwart uit het konijngrijs dan kan dat waardevol
zijn, zeker als de lichaamsvorm goed is. Zulke dieren zullen
geen extreem zwarte begranning brengen, maar zullen snel laten
zien of het polygen voor witte haren aanwezig is. In het grijs
moet je zoeken, maar in het zwart is het direct te zien.
Er zijn 3 mogelijkheden, je ziet het bij
het jonge dier, na de eerste verharing, of na de 2e
verharing. Na de 2e verharing weet je pas of het
dier bruikbaar is voor de fok! Valt een zwarte op door witte
haren dan is de hele worp verdacht, inclusief de ouders.
Het euvel van de witte haren is alleen
onderdrukbaar, het is niet uit te roeien. Er blijven altijd
enkele cellen die deze eigenschap doorgeven, en dan groeit het
verschijnsel weer aan. Het defect in de erfmassa van de cel
verhindert de vorming van pigment en deze eigenschap wordt aan
het nageslacht doorgegeven. De genen van meerdere cellen kunnen
behebt zijn, we spreken van een poly-gene of modificerende
eigenschap.
Een goede raad, fok niet met dieren die
witte haren tonen, en kruis niet, want dan activeer je deze
cellen opnieuw.
Verzilvering heeft betrekking op het totale
lichaam, dus op alle cellen tegelijk, als zodanig dus volkomen
andere eigenschap! We kunnen rustig aannemen dat het poly-gen
der witte haren volop bij de zilverkonijnen tiert.
Uit de verervingsleer van de kleurmuis
weten we dat geel daar ontstaat door een variatie ( mutant) van
de AGOUTI factor. In de analogie daarmee is te stellen dat bij
het konijn de genen A en E, en ook de factor ww( brede
tussenring bij de wildkleur) in feite tot een samenhangende
genen groep behoren, die dicht bijeen liggen. Via het gen ww en
de genen uit de allel serie E wordt de afscheiding van het
zwarte pigment melanine in de pels geregeld , waarbij het gele
pigment geen enkele actieve rol speelt. Via het zwart en de ons
bekende kleurverdunning daarvan, ontstaan al onze
konijnenkleuren. Welke een eenvoud!
Kleurenvariaties bij het wilde konijn
ontstaan door schommelingen van het zwarte pigment, waardoor we
een andere hoeveelheid geel in het dek waarnemen. De dieren
zelf worden nier roder of geler, dat denken we alleen maar.
Vaak constateren we dat in een stam
plotseling de blauwe grondkleur aan de buik wegvalt. Dat is geen
defect van de wildfactor maar een aparte erffactor die ook weer
als poly-gen werkt, d.w.z zich langzaam sterker gaat uiten (
steeds meer cellen gaan zich zo gedragen).
Kruisen met een “vreemd”dier brengt alles
weer in orde, de erfmassa gaat weer terug naar de
oorspronkelijke vorm. De nadruk daarbij ligt op het niet
verwant zijn , want de restauratie komt van 2 kanten! Alles wat
ontbrak wordt aangevuld.
Een ander naar verschijnsel is de
dwarsbanden op de voorbenen. Tegen de tijd dat alle dieren het
hebben zijn er altijd bet-weters die beweren dat het niet anders
kan. Er zijn altijd wel beuzelaars die beweren dat je bij
blauwgrijs enz. altijd dwarbanden op de voorvoeten hebt omdat
zoiets kleurgebonden is. Volmaakte onzin.
Er is nog meer.
Door selectieve fok is het mogelijk om de
tussenring in het dek te verbreden, de grondkleur wordt dan
automatisch lager.
Bij als maar doorfokken wordt de grondkleur
op het dek geminimaliseerd, terwijl de grondkleur aan de buik
behouden blijft.Een castor met blauwe buik en brede ring in het
dek is daarvan een praktijk voorbeeld. Zo’n vorm is op zichzelf
niet fokzuiver, aangezien ze door selectie ( via een poly-gen)
is verkregen en dus niet op een Mendelfactor berust.
De genoemde Mendelfactor ww , bij tan en
haas aanwezig, is een grondkleur verwijderaar. De grondkleur aan
de buik verdwijnt en de grondkleur op het dek wordt gehalveerd.
Als resultaat zien we plotseling een veel bredere gele
tussenkleur in het dek. Deze kleurvorm is wel reproduceerbaar(
ww) . Zouden we zeggen dat de w w een berde band geeft, dan
verwisselen we wederom oorzaak en gevolg!
Onvoldoende kennis van deze zaken zijn er
de oorzaak van dat bij onze Oosterburen het ras Deilenaar een
blauwe buik heeft en dat bij konijngrijs daar dieren met brede
tussenring en blauwe buik bekroonbaar zijn. Beide zijn “Spalterbig”,
en aanleiding tot veel gemopper.
G.Wesselius.